Introductie
Familie is een belangrijk onderwerp in ons leven. We praten vaak met anderen over onze familieleden, wat ze doen en hoe vaak we elkaar zien. In deze les leren we hoe je over je familie kunt praten in het Nederlands.
Uitleg
In deze les gebruiken we eenvoudige zinnen om te vragen naar de familie van iemand en om te vertellen over je eigen familie. Let op de volgende zinnen:
- Vraag: “Hoe gaat het met jouw familie?”
- Antwoord: “Mijn vader werkt als…”
- Volgens: “Ik heb broers of zussen.”
- Vraag: “Wat doet jouw broer of zus?”
- Antwoord: “Hij/Ze is…”
Voorbeelden
| Vraag | Antwoord |
|---|---|
| “Heb jij broers of zussen?” | “Ja, ik heb één broer en één zus.” |
| “Wat doet jouw zus?” | “Zij is lerares.” |
| “Wanneer zie je je ouders?” | “Ik zie ze meestal in het weekend.” |
Oefening/Context
Lees het volgende dialoog.
Emma: “Hallo Max, hoe gaat het met jou?”
Max: “Goed, dank je! Met mijn familie ook. Mijn moeder is verpleegster en mijn vader werkt in een winkel.”
Emma: “Dat klinkt leuk! Heb je ook broers of zussen?”
Max: “Ja, ik heb een zus. Ze studeert aan de universiteit. En jij, Emma? Hoe gaat het met jouw familie?”
Emma: “Mijn ouders wonen in een ander land, maar ze komen vaak op bezoek.”