Introductie

In deze les leren we hoe je een gesprek kunt voeren over vakantieplannen. Dit is een belangrijk onderwerp waar veel mensen graag over praten. Laten we kijken naar een leuke dialoog tussen Thomas en Emma!

Uitleg

In deze dialoog horen we hoe de sprekers vragen stellen en informatie delen. We gebruiken verschillende voorzetsels zoals voor, naar, in, en met om tijd, plaats en middelen aan te geven.

Voorbeelden van voorzetsels

Voorzetsel Betekenis
voor voor een tijd of gelegenheid
naar bestemming of richting
in binnen een plaats of tijd
met gezelschap of hulpmiddel

Oefening/Context

Stel je voor dat je met een vriend(in) praat over jullie vakantie. Hier is een voorbeeld van een dialoog:

  • Jij: Waar ga jij naartoe op vakantie?
  • Vriend(in): Ik ga met vrienden naar Spanje. En jij?
  • Jij: Ik blijf in Nederland en ga naar een camping.
  • Vriend(in): Dat klinkt leuk! Wat ga je daar doen?
  • Jij: Ik ga vaak wandelen in de natuur.
  • Vriend(in): Geweldig! Misschien kunnen we elkaar in de vakantie zien.

Probeer zelf ook een dialoog te maken met een vriend(in) over jullie vakantieplannen!