Welkom bij de les over klokkijken!

In deze les leren we hoe je de tijd in het Nederlands kunt zeggen. Dit is heel belangrijk, want je wilt natuurlijk weten hoe laat het is en dit aan anderen kunnen vertellen. Laten we beginnen!

Hoe zeg je de tijd?

  • Hele uren: Dit zeg je met het woord “uur”.
  • Halve uren: Dit zeg je met “half”, gevolgd door het volgende uur.
  • Kwartieren: Gebruik “kwart over” voor een kwartier na het uur en “kwart voor” voor een kwartier voor het volgende uur.
  • Minuten: Minuten na het uur worden aangegeven met “over”, en voor het halve uur met “voor half”.

Voorbeelden van het klokkijken:

Tijd Hoe zeg je dit?
3:00 Drie uur
3:30 Half vier
3:15 Kwart over drie
3:45 Kwart voor vier
3:05 Vijf over drie
3:50 Tien voor vier

Oefening: Een dialoog

Stel je voor dat je met je vriend(in) praat:

Jij: Hoe laat is het?

Vriend(in): Het is kwart over drie.

Jij: En hoe laat is het voor de les?

Vriend(in): Het is tien voor vier.

Probeer zelf ook een dialoog te maken met een partner en gebruik verschillende tijden!

Tip voor de klas!

Neem een klok mee naar de les en oefen het klokkijken met elkaar. Dit maakt het leren leuker!