Introductie
Welkom bij deze les over gesprekken in de klas! Het is belangrijk om te kunnen praten met je klasgenoten, vooral tijdens de pauze. Vandaag gaan we een dialoog bekijken waarin Emma en Luca met elkaar praten.
Uitleg
In deze dialoog leren we hoe je vragen kunt stellen en antwoorden kunt geven over je klas, vrienden, en boeken. Let op de following zinnen:
- Hoe gaat het? – Dit is een gebruikelijke vraag om te vragen naar iemands welzijn.
- Hoeveel … zijn er? – Dit gebruik je om te vragen naar hoeveel dingen er zijn.
- Ik heb … – Hiermee geef je aan hoeveel je hebt.
Voorbeelden
| Vraag | Antwoord |
|---|---|
| Hoeveel studenten zijn er in de klas? | Er zijn twintig studenten. |
| Hoeveel vrienden heb jij? | Ik heb vijf vrienden. |
| Hoeveel boeken heb jij voor de les? | Ik heb één boek. |
Oefening/Context
Stel je voor, je bent in de klas tijdens de pauze. Je wilt met je vriend(in) praten.
Jij: “Hoi! Hoe gaat het?”
Vriend(in): “Goed, dank je! Hoeveel boeken heb je voor de les?”
Jij: “Ik heb drie boeken. En jij?”
Vriend(in): “Ik heb er twee!”
Conclusie
In deze les hebben we geleerd hoe je een gesprek kunt voeren in de klas. Oefen deze zinnen met je vrienden!