Introductie

In het dagelijks leven gebruiken we veel werkwoorden om onze activiteiten te beschrijven. Laten we enkele belangrijke werkwoorden bekijken die je helpen om je dagelijkse routine in het Nederlands uit te drukken.

Uitleg

Werkwoorden zijn actiewoorden die beschrijven wat iemand doet. In deze les gaan we kijken naar enkele veelvoorkomende werkwoorden met hun vertalingen in het Engels en voorbeelden van zinnen in het Nederlands.

Voorbeelden

Werkwoord (NL) Vertaling (EN) Voorbeeldzin (NL)
Opstaan To get up Ik sta om 7 uur op.
Ontbijten To have breakfast Hij ontbijt elke ochtend om 8 uur.
Aankleden To get dressed Zij kleedt zich snel aan.
Tanden poetsen To brush teeth Ik poets mijn tanden voor het slapen gaan.
Lunchen To have lunch Wij lunchen samen om 12 uur.
Naar school/werk gaan To go to school/work Ik ga om 8 uur naar school.
Eten koken To cook dinner Zij kookt het avondeten om 6 uur.
Slapen gaan To go to sleep Hij gaat om 10 uur naar bed.

Oefening/Context

Stel je voor dat je met een vriend praat over je ochtendroutine. Gebruik de werkwoorden uit de voorbeelden:

Vriend: Wat doe jij ‘s ochtends?
Jij: Ik sta om 7 uur op en ik ontbijt om 8 uur.

Probeer nu je eigen zinnen te maken!