Introductie
Welkom! In deze les leren we een eenvoudige dialoog tussen twee vrienden, Sarah en Tom. Ze praten over hun dagelijkse activiteiten, wat ze gaan doen en over hun plannen in de toekomst. Dit helpt je om praktische zinnen en uitdrukkingen te oefenen in het Nederlands.
Uitleg
In deze dialoog gebruiken Sarah en Tom veel eenvoudige zinnen. Ze vragen naar elkaars welzijn en plannen. Let op het gebruik van de vraagwoorden:
- Wat: vraagt naar dingen of activiteiten.
- Wanneer: vraagt naar tijd.
- Hoe: vraagt naar de toestand of manier.
Hieronder zijn enkele voorbeelden van hoe Sarah en Tom elkaar vragen stellen:
| Vraag | Antwoord |
|---|---|
| Wat doe jij vandaag? | Ik ga naar de winkel. |
| Wanneer ga je naar de sportschool? | Ik ga om drie uur. |
| Hoe gaat het met jou? | Het gaat goed, dank je! |
Oefening/Context
Stel je voor dat je met een vriend(in) in het park zit. Gebruik de volgende zinnen om een gesprek te beginnen:
- Hallo! Hoe gaat het?
- Wat ga je morgen doen?
- Wanneer spreek ik je weer?
Probeer een kort gesprek te voeren met een partner of schrijf het op.
Aan de slag!
Je kunt nu jouw eigen dialoog maken. Denk aan wat jij normaal gesproken doet in een week. Schrijf enkele vragen en antwoorden, net zoals Sarah en Tom dat doen. Veel plezier!