Situatie: Twee vrienden, Anna en Tom, spreken af om naar een café te gaan.

Anna: Hallo Tom! Waar ben je? Ik sta al ________ (voor) het café.
Tom: Oh, sorry! Ik ben nog ________ (op) de bus. Ik kom eraan.
Anna: Geen probleem. Ik zie een bankje ________ (naast) het café. Ik wacht daar op je.
Tom: Perfect! Is het café ________ (op) de hoek van de straat?
Anna: Ja, precies. Het is ________ (tegenover) de supermarkt.
Tom: Oké, ik ben er bijna. De bus rijdt nu ________ (door) de stad.
Anna: Goed! Ik zit al ________ (op) het bankje en het is heerlijk weer.
Tom: Fijn! Zie je zo. Ik loop nu ________ (binnen) het café.
Anna: Top! Ik wacht nog ________ (buiten) de deur.


Tabel: Woordenlijst

Nederlands Engels
Voor In front of
Op On
Naast Next to
Op (de hoek) On (the corner)
Tegenover Across from
Door Through
Binnen Into
Buiten Outside