Inleiding

Goed gedaan! Je hebt hard gewerkt aan onregelmatige werkwoorden. Nu is het tijd om terug te kijken en na te denken over wat je hebt geleerd. Deze reflectievragen helpen je om meer inzicht te krijgen in je kennis en vaardigheden met deze belangrijke werkwoorden.

Reflectievragen

  1. Welke onregelmatige werkwoorden vond je het makkelijkst? Waarom?

    • Heb je werkwoorden gekozen die je vaak gebruikt of al kende?
  2. Welke werkwoorden vond je moeilijk? En waarom?

    • Waren er specifieke vervoegingen die je verwarrend vond?
  3. Kun je drie zinnen maken met onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd?

    • Gebruik imperfectum in je zinnen.
  4. Kun je drie zinnen maken met onregelmatige werkwoorden in de voltooide tijd?

    • Gebruik perfectum in je zinnen.
  5. Wanneer gebruik je perfectum en wanneer imperfectum?

    • Kun je uitleggen waarom je soms “Ik heb gegeten” zegt en soms “Ik at”?
  6. Hoe kun je onregelmatige werkwoorden makkelijker onthouden?

    • Gebruik je ezelsbruggetjes, herhaling of een andere methode?
  7. Heb je onregelmatige werkwoorden in je eigen taal? Lijken ze op de Nederlandse vormen?

    • Bijvoorbeeld: In het Engels is “to go – went – gone” vergelijkbaar met “gaan – ging – gegaan”.
  8. Kun je een kort verhaal schrijven van vijf zinnen met minstens drie onregelmatige werkwoorden?

    • Denk aan een korte gebeurtenis uit je eigen leven.